isbn 978-90-225-7631-1
isbn 978-94-023-0691-0 (e-book)
nur 330
Oorspronkelijke titel: Wienerbrorskapet
Oorspronkelijke uitgever: Aschehoug
Vertaling: Annelies de Vroom
Omslagontwerp: Wil Immink Design
Omslagbeeld: iStock
Zetwerk: ZetSpiegel, Best
© 2015 Ingar Johnsrud
Nederlandstalige uitgave © 2016 Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam
Published by agreement with Solomonsson Agency
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van
druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze ook, zonder vooraf-
gaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Ingar Johnsrud
ZIJ DIE VOLGEN
DEEL 1 VAN DE
BROEDERSCHAP-TRILOGIE
In elke complexe populatie, in onze maatschappij bijvoor-
beeld, spelen keuzes – selectie – een beslissende rol. Hoe
strenger de selectie, des te beter de soort zich in stand zal
weten te houden.
De keuzes voor de beste en levensvatbaarste exemplaren
van de soort werden oorspronkelijk door de natuur zelf gere-
geld en de mensen handelden ernaar. De eerste menselijke
‘ingrepen’ gebeurden namelijk niet tegen de natuur in, maar
juist om de natuur te helpen met haar werk. Dat de middelen
die werden gebruikt hardvochtig waren, naar onze begrip-
pen soms gruwelijk, is een andere kwestie. Het is de vraag of
we in onze tijd niet bezig zijn met het tegenovergestelde, het
tot in het oneindige zorgen voor alles wat zwak en ziekelijk
is, want daarmee begaan we gruwelijkheden die zich kunnen
meten met de oude barbarij.
Uit de inleiding van Rasehygiene door Jon Alfred Mjøen
(Jacob Dybwads Forlag, 1938)
Jon Alfred Mjøen stierf in 1939.
DEEL 1
9
1
In het schemerdonker ruimde de stewardess het onaangeroerde
dienblad met gerookte zalm, zeebaars uit de Bosporus en Weense
apfelstrudel af. Haar bewegingen waren snel en zo vaak herhaald
dat ze niet eens hoefde te zien wat ze deed. Terwijl haar handen
werkten, nam ze hem in zich op. Ze kreeg de uitdrukking op haar
gezicht die wel vaker te zien was als je het van dichtbij bekeek. Er
leek een verstoring in het beeld te zijn zonder dat je er de vinger
achter kon krijgen waar die door werd veroorzaakt. Toen ze haar
arm uitstrekte om het champagneglas te pakken, legde hij zijn
hand op de hare. Snel trok ze haar hand terug.
Voorzichtig schoof hij het luikje voor het raam omhoog. Zijn
medepassagiers sliepen. Het geknipper van het licht op het puntje
van de vleugel weerkaatste ets in het raam. Onder hem, heel ver
onder hem, dreven vlekken met geel licht. Europa. Het was lang
geleden dat hij daar was. Hij sloot zijn ogen, ging met zijn wijs-
vinger over de rand van het masker en zijn huid en dacht aan wat
achter hem lag.
Het stof had loom gedanst in de milde bries. De stekende zon was
verpakt in een bleek grijsblauw tapijt. De steppe lag duizend meter
boven zeeniveau en de atmosfeer was ijl. De luchtweerstand was
laag. De omstandigheden konden niet beter.
Boven in de oude minaret lagen ze onbeweeglijk op de stenen
trap voor de smalle opening. Buiten was het bijna veertig graden,
binnen was het wat koeler, maar nog steeds verzengend heet.
10
Hij gaf zijn ogen even rust: hij knipperde en staarde in de scha-
duw omdat hij wist dat Hvalen – de walvis – alles in de gaten
hield door de telescoop. De vergadering had bijna vier uur ge-
duurd. Als de gouverneur voor het donker in zijn uitstekend be-
veiligde huis wilde zijn, moest hij over niet al te lange tijd afscheid
nemen.
Hvalen tikte hem op zijn schouder. Hij wist wat dat betekende,
hij pakte de kolf van het geweer en zette zijn oog tegen het vizier.
De muur die hij zag was niet geverfd en roodbruin van kleur. Een
man zonder hoofdbedekking, gekleed in een donker vest en een
lichte perahan tunban, de traditionele kledij waaraan veel Afghaan-
se
mannen de voorkeur gaven, had de balkondeur geopend. Het
was Hassam. De informant die de gouverneur naar deze plek had
gelokt.
Hassam stapte opzij en liet de oudere man een plek kiezen op
het gietijzeren balkon. Gouverneur Osmal Abdullah Kamal. Het
vizierkruis gleed langs de tulband, over zijn baard, die dik en grijs
was. De twee mannen staarden ogenschijnlijk zwijgend over de
papavervelden.
De weerslag maakte dat hij het doel uit het vizier verloor, maar
toen hij het geweer liet zakken, zag hij dat de .338 kaliber Lapua
Magnum-kogel hem bijna vijf centimeter rechts van het midden
van zijn borst had geraakt. Het projectiel kon er verder naast zit-
ten en toch dodelijk zijn. Niettemin prikte de ergernis in zijn sla-
pen. In plaats van een rond gat ter grootte van een sinaasappel te
maken in de witte kleding van de gouverneur, had de kogel zijn
borst bijna in tweeën gescheurd. Een lichtrode fontein van bloed
verfde het balkon, Hassam en de muur achter hen. De gouver-
neur draaide rond voor zijn lichaam tegen de deur zou smakken.
Hij stond even wonderlijk doodstil, boog licht voorover, toen gaf
de krakkemikkige deur mee en een kleine stofwolk vertelde dat
het lijk de vloer had geraakt.
Herladen. Het geluid van een kogelhuls op de trap.
Hassam knielde bij de voeten in sandalen. Misschien bad hij.
Misschien was hij in paniek. Misschien speelde hij toneel voor de
veiligheidsagenten die kwamen aangestormd. Het maakte alle-
11
maal niet uit. De schutter beoordeelde de wind en trok de trekker
verder naar achteren. Een ogenblik later zakte het lichaam van
Hassam opzij. Hersenmassa, bloed, haarresten en botsplinters
vormden een oranjerode stralenkrans op de lemen muur.
De moordenaar knipperde een keer en bedacht dat zijn oog een
camera was die de spiegel omhoogklapte, de sluiter opende en het
beeld vastlegde. Dit ogenblik was van hem en was voor altijd be-
vroren.
‘Vaarwel, Hassam,’ constateerde Hvalen.
De schutter rolde het geweer in een handdoek. Terwijl Hvalen
de telescoop inpakte, kwam hij overeind en liep de drie treden op
naar het eind van de trap. Er zoemden een paar vliegen boven
het opgedroogde bloed op het hoofd. De blinddoek over de ogen
maakte het onmogelijk te zien of de oude imam bij bewustzijn
was. Zijn ademhaling ging snel en het bloed gorgelde in zijn keel.
De schutter pakte zijn automatische pistool uit zijn heupgordel.
Hvalen schudde even zijn hoofd. ‘Niet nodig.’
Staand voor de minaret schudden ze elkaar de hand.
‘De organisatie wenst je succes in Noorwegen,’ zei Hvalen.
Hij gromde.
12
2
‘Fredrik Beier. Met een i, geen y.’
‘Adres?’
‘Sorgenfrigate 6. In Majorstua.’
‘In Heineckegården?’
‘Wat?’
‘Ik geloof dat het gebouw waarin je woont Heineckegården
heet.
En je bent geboren in…?’
‘In… Hier in Oslo. Maakt dat wat uit?’
‘Neem me niet kwalijk. Ik bedoel het jaartal. Hoe oud ben je?’
‘Achtenveertig. Ik ben achtenveertig.’
Op de leren bank stak de hoofdinspecteur van politie een magere
arm uit om het lepeltje te pakken dat in de kofepoeder stond en
draaide het om naar zijn eigen matte spiegelbeeld te kunnen kijken.
In het gebogen metaal zag hij nauwelijks de jne grijze haartjes
bij zijn slapen; zijn smalle, keurig verzorgde snor daarentegen
leek
in een dronken bui op zijn gezicht getekend.
Voor hem zat de bedrijfspsycholoog. Boven zijn hoofd hing een
poster van Ernest Hemingway met ontbloot bovenlijf. De schrij-
ver poseerde uitdrukkingloos met een hagelgeweer.
‘Heeft Hemingway zichzelf niet doodgeschoten?’
‘Ja, net als zijn vader.’
‘Is het niet vreemd voor een psycholoog om de muur te versie-
ren met iemand die zijn hoofd aan arden heeft geschoten?’
‘Net zo vreemd als in een straat te wonen die Sorgenfri – zon-
der verdriet – heet,’ zei de psycholoog terwijl hij naar het indruk-
13
wekkend dikke dossier van de cliënt knikte dat tussen hen in op
tafel lag.
De rechercheur snoof onvriendelijk. Het adres was in het beste
geval gewoon toeval. ‘Mijn ex-vrouw heeft het appartement uit-
gezocht.’
‘Dus je bent getrouwd geweest. Kinderen?’
‘Drie… twee. Twee, bedoel ik.’
‘Drie of twee?’
‘Er is een kind overleden.’
‘Dat spijt me. Wat is er gebeurd?’ De zielenknijper met twee
onderkinnen trok het elastiekje van zijn paardenstaartje strak.
Hier kwamen politiemensen uit de hele stad naartoe om zich
leeg te maken. De stank van de weerstand, imperfectie en angst
die hier dagelijks tegen het vuilwitte behang klotste was verstik-
kend. Het kantoor van de psycholoog had de grootte van een cel
en Fredrik Beier snakte naar frisse lucht. De versleten leren bank
kraakte toen hij opstond om voor het raam te gaan staan. Vaal-
witte gordijnen wapperden boven een natgeregende aluminium
vensterbank.
De psycholoog nam niet de moeite zich naar hem om te draaien
dus toen Fredrik omkeek zag hij alleen de pluizige paardenstaart
en de kale schedel, die nat leek van het zweet. Onder de schedel
lagen hersenen die gemarineerd waren in de donkerste geheimen
van politiemensen. Deze kerel was de buitenplee van de politie in
Oslo. Geen haar op zijn hoofd die eraan dacht om met deze ver-
rekte kerel te praten over zijn zoon.
‘Woon je samen met je kinderen?’
Fredrik wreef in zijn ogen. ‘Nee, ze wonen in Tromsø bij hun
moeder. Alice. En bij haar man.’ Zijn linkerknie liet een pijnlijk
gekraak horen toen hij weer op de bank zakte. ‘Ik ben hier niet
uit vrije wil. Het was dit of een lang verlof.’
De psycholoog liet een vinger langs de vouw in zijn dubbele
onderkin gaan. ‘Want jij denkt dat je niet ziek bent?’ Zijn toon
liet er geen twijfel over bestaan dat hij zelfdiagnoses verachtte.
‘Psychisch?’ vroeg Fredrik, hem strak aankijkend. ‘Nee.’